Inleiding op het boek Tobit:
een bijbels leerverhaal over God en de mensen

Het boek ontleent zijn naam aan de hoofdpersoon Tobit, een Joodse man die met zijn vrouw en zijn zoon in Nineve woonde. De stam Naftali, waartoe hij behoorde, was in 722 voor Christus in ballingschap naar Assyrië weg gevoerd. Het verhaal speelt zich af in de decennia daarna.
Over de ontstaansgeschiedenis van boek is niet veel bekend. Het is vermoedelijk geschreven door een vrome Jood in het Hebreeuws of het Aramees, aan het einde van de derde of begin vierde eeuw voor Christus. Daarna is het ook vertaalt in het Grieks. Hoogstwaarschijnlijk heeft dit volkse verhaal vele veranderingen ondergaan totdat de Joden er een bijbels sprookje van maakten en het op schrift stelden.

Het boek Tobit vertelt het verhaal van de gelijknamige huisvader, die met blindheid geslagen wordt en ten slotte genezing vindt. In dit relaas zijn de belevenissen van de zoon Tobias verweven: op reis met een engel vangt hij een vis, waarmee hij zijn toekomstige bruid Sara aan een boze geest ontrukt en die ook voor zijn vader weer licht brengt. Deze familiegeschiedenis weerspiegelt het wel en wee van Joodse ballingen, die zich van het hen omringende heidendom onderscheiden door het onderhouden van de wet (Thora), gebedsvroomheid, huwelijksmoraal, familiezin, armenhulp en dodenverzorging.

Het gaat hier voor ons om het eeuwige verhaal van God en de mensen:
– over de machteloosheid van de angst en de almacht van de liefde
– over de engel die op onze levensweg kan verschijnen, meestal onverwacht en verborgen,
– over het altijd op weg zijn: zoekend, tastend, twijfelend, nooit blijven stilstaan,
maar steeds gedragen door een of ander ”samen”.

Het volledige verhaal vindt u HIER